- Auteur
- Datum
- op 09-02-2010 01:32
- Reacties
- 1
De CTD, het gele monster
Martien Baars is planktononderzoeker bij het NIOZ op Texel. Op de clipper probeert hij samen met Lanna Cheng om voor het eerst Halobates in zijn natuurlijke leefomstandigheden goed op film te krijgen. Hij vaart mee van Tahiti naar Sydney.
Al sinds Rio de Janeiro hangt de 'sleep-CTD' achter de clipper Stad Amsterdam, tenminste als het traject niet te ondiep is. CTD staat voor de sensoren 'Conductivity Temperature Depth' en ze vertegenwoordigen de standaard metingen in de oceaan. De dieptesensor spreekt voor zich en is bij de sleep-CTD niet zo heel belangrijk uit wetenschappelijk oogpunt. Behalve bij riviermondingen is de zogenaamde 'menglaag' in de oceaan al snel 50 of zelfs 100 of meer meter diep, en in die homogene laag maakt het voor temperatuur en zoutgehalte dan niet uit of de sleep-CTD op 7 of 20 meter hangt. De temperatuur in de menglaag is dubbel belangrijk, op zichzelf maar ook in combinatie met de geleidbaarheid want uit die twee samen wordt het zoutgehalte berekend (ook saliniteit genoemd, oftewel 'salinity' op z'n engels).
Er zitten ook nog 4 andere sensoren in de gele pijp, namelijk twee stuks die de troebelheid meten en twee stuks die de hoeveelheid alg in het water meten. De ene troebelheidsmeter is een 'optical backscatter' sensor, die de verstrooiing van een lichtbundel door de in het water aanwezige deeltjes meet. Hoe meer deeltjes (dus hoe troebeler), hoe meer 'backscatter'. De andere sensor is een bundelverzwakkingsmeter die een lichtbundel uitzendt over een afstand van 25 cm en aan de andere kant meet hoeveel licht daar aankomt. Bij heel helder water is dat 100%, bij heel troebel water kan dat maar een paar % zijn.
De hoeveelheid 'fytoplankton' wordt gemeten door twee fluorometers. De ene is voor gewoon 'chlorofyl', waarbij een blauwe lichtbron de algen rood laat fluoresceren en dat rode licht wordt dan gemeten. De ander is voor de fluorescentie van een bepaalde groep binnen het fytoplankton, de cyanobacteria, de belangrijkste groep organismen met fotosynthese in de open oceaan. Tot nu toe geven die laatste metingen heel weinig variatie onderweg, dus er is het vermoeden dat de gevoeligheid van deze sensor in het verkeerde (ongevoelige) bereik staat.
Ook de saliniteit ligt momenteel een paar promille te laag in vergelijking met een handmetertje dat ik mee genomen heb om het zoutgehalte in de putsemmer te meten: circa 33,5 versus circa 35,5. Het lijkt tijd om de meetcel van de geleidbaarheid te inspecteren (is er aangroei op de wand of zit er een stuk beest in, van een kwalletje of een visje o.i.d. ?) en voorzichtig schoon te gaan maken. Maar daarvoor moet het gele monster eerst uit het water en we zeilen al anderhalve week lang te hard om het apparaat aan dek te takelen. We stellen ons gerust met de gedachte dat de saliniteits-uitslagen wel stabiel zijn, dus dat de verschillen onderweg wel goed aangegeven worden.
De metingen van de CTD geven een uitstekend beeld van het soort water waar het schip door heen komt. Voor de water- en planktonmonsters die dagelijks verzameld worden, zijn deze CTD-gegevens van groot belang om de latere analyse-resultaten van die monsters goed te interpreteren. Momenteel draai ik het standaard-monsterprogramma, waarbij water uit de putsemmer gebruikt wordt voor 3 soorten monsters voor Corina Brussaard en 3 soorten monsters voor Katja Philippart van het NIOZ. Al die monsterbuisjes en filters belanden in de ultravriezer. Daarnaast doe ik een trekje met de 'planktonindicator' om een klein planktonmonster te verzamelen voor Claudia Castellani van SAHFOS in Plymouth. Dat gaat in de ethanol voor latere DNA analyse. De drie bovengenoemde wetenschapsters hebben straks een unieke monsterserie, alle drie oceanen omvattend. Vooral dankzij Charlotte Synge en Ruurd van den Berg, die op alle stukken waar geen NIOZ'er aan boord was, de bemonstering op zich hebben genomen.
Op de eerste foto is te zien hoe de CTD te water wordt gelaten via een klapblokje dat aan de giek hangt. Let op de rustige zee, op die zondag 24 januari, die zouden we daarna niet meer mee maken. Op de 2e foto staat de CTD-kabel 'in actie', waarbij vogels vaak waakzaam achter het schip aan zeilen voor het geval de CTD het plankton naar de oppervlakte opwervelt. Voor de liefhebbers: op de verre achtergrond staan in dit geval een paar Short-tailed Shearwaters. Die CTD-kabel vibreerde heel irritant, met een rot geluid dat tot in de longroom doordrong. Aan het begin van deze tocht van Tahiti naar Sydney hebben we op advies van NIOZ-collega Sven Ober het onderwatergedeelte van de kabel met een paktouwtje omwikkeld en dat bleek geweldig te helpen: vibraties weg en iedereen blij.
Op de laatste foto is te zien hoe kwartiermeester Daniel en bootsman Cock de 'Chinese vingers' (meer bekend uit de medische wereld bij polsbreuken etc) aanbrengen. Die 'zekering' brengt de trekkracht over op een aparte kabel (op de foto met zwarte tape omwikkeld) zodat de eigenlijke CTD-kabel spanningsloos op het dek naar de trommel bij de kruismast kan lopen. Op het dek ligt een groot blauw NIOZ-blok tegen de verschansing aan om de kabel onder een geringe hoek naar buiten te leiden. Voor deze CTD-kabel van 6.35 mm dikte (met binnenin 4 elektrische aders, en treksterkte 2,5 ton, meen ik) is een buigdiameter van minimaal 35 cm voorgeschreven.
Dit weblog wil ik besluiten met een dankbetuiging. De beperkte ruimte aan boord voor opstappers liet volgens de VPRO niet toe dat een NIOZ-technicus een stuk mee kon varen vanaf Rio om de sleep-CTD (een nieuw NIOZ-ontwerp) goed in te regelen en de kinderziekten er uit te halen. Tot ongenoegen van de technische NIOZ-afdelingen die het sleeplichaam ontworpen en gebouwd hadden. Zij gaven mij luid en duidelijk te kennen dat op deze manier het eigenlijk onverantwoord was om een nieuw, duur apparaat achter een onbekend schip te hangen. Dat dan ook nog een zeilschip is, waarbij de mogelijkheden zoveel beperkter zijn dan op een onderzoekschip. Mijn zeer positieve ervaringen met de hulpvaardige bemanning van de clipper Stad Amsterdam in Le Havre, Delfzijl en Plymouth mochten de twijfel amper wegnemen. Dus ben ik heel gelukkig met de manier waarop de zaak in de praktijk verloopt.
Op het NIOZ achter mijn PC'tje was ik al onder de indruk van de wijze waarop satellieten-man Ronald de Graaf en de bemanning zich om de sleep-CTD bekommerden, maar nu ik zelf eeen stuk mee mag varen, is die bewondering alleen maar toegenomen. Met groot incasseringsvermogen en de nodige creativiteit hebben zij de malheur onderweg doorstaan (breuk verbindingskabel, opgevist vistuig, breuk sleepkabel). Ook de essentiele verbeteringen die zij hebben aangebracht zijn een groot compliment waard.
PS. Deze blogpost heeft 3 dagen vanwege verbindingsproblemen op publicatie gewacht.
> Lees ook de andere blogs van Martien Baars en Lanna Cheng
Meer posts van Martien Baars
- Gerelateerde items:
- › Dossier: Dossier: Plankton(onderzoek)
- › Dossier: Dossier: Biodiversiteit

Reacties (1)
Interessant verhaal. Aardig om te zien dat zelfs uiterst basale werktuigbouwkunde nog problemen kan geven.
Het idee om de signaaldragende kabel niet mechanisch te belasten en daarvoor een aparte sterke trekkabel te gebruiken, zie je in alle landen toegepast waar elektra en telefoon of internet boven de grond via palen naar huizen wordt geleid. De RG6 coax van het kabelbedrijf heeft zelfs de trekkracht opnemende kabel in de mantel ingegoten. Bij elektra wordt de trekkabel (vaak van aluminium) ook als 'neutraal/aard'verbinding gebruikt.
Daar waar van een buigdiameter van 35 cm wordt gesproken, moet dat niet eigenlijk de buigstraal zijn?