Auteur
Katja Philippart
Datum
op 05-12-2009 16:49
Reacties
4

Geen walvis zonder plankton

Katja Philippart is zee-ecoloog van het NIOZ. Onderweg onderzoekt zij hoe algen en slib de kleur van het zeewater bepalen en doet planktononderzoek. Zij vaart met de clipper mee voor aflevering 2 van Plymouth naar Tenerife en later op de route van Bahia Blanca tot Punta Arenas.

Veel van het lichaam van een walvis is eerder een onderdeel van een alg geweest. Via een keten van eten en gegeten worden de elementen telkens weer ingebouwd in een nieuw lichaam. Zuidkapers maken een korte klap. Deze walvissen eten krill (dierlijk plankton) dat weer leeft van algen (plantaardig plankton). Onderweg treden grote verliezen op, waardoor voor elke kilo zuidkaper ongeveer 10 kilo krill nodig is. Omdat dergelijke verliezen bij elke stap in de voedselketen optreden, heeft die 10 kilo krill weer 100 kilo plantaardig plankton moeten eten. Dat betekent dat voor elke flinke zuidkaper van 75 ton er 7500 ton algen gegeten moet zijn door het krill.

Voor de bouw van orka's wordt een langere weg afgelegd. In Patagonië eten de orka's zeeleeuwen, zeeleeuwen eten grote vissen, grote vissen eten kleinere vis, de kleinere vis eet dierlijk plankton, en dierlijk plankton graast op plantaardig plankton. Rekening houden met het verlies van 90% per consumptie stap, ligt aan elke kilo orca dus 100 000 kilo algen ten grondslag!

Maar algen willen helemaal niet gegeten worden. Ze willen groeien en zich voortplanten, en niet voortijdig eindigen als potentiëel walvissenvlees. Veel van de prachtige vormen van plankton komen dan ook voort uit pure zelfverdediging. Zo zijn er algen die zich onder bepaalde omstandigheden kolonies vormen. De Antarctische schuimalg (Phaeocystis antarctica) behoort tot die groep. Experimenten in het lab hebben laten zien dat krill de kleinere kolonies opeet, maar de grotere kolonies van deze alg links laat liggen.

Het Patagonische Plat behoort, met een produktie van meer dan 2 kg algen per m2 per jaar, tot de rijkste zeegebieden van de wereld. De algenproduktie is niet homogeen verdeeld over deze zee, de satellietbeelden laten duidelijke oases en woestijnen van algengroei zien. Tijdens onze vaartocht met de "Stad Amsterdam" hebben we hier het plantaardig plankton, het dierlijk plankton, de zeevogels en de zeezoogdieren langs de route in kaart gebracht. Onze vraag hierbij was op welke schaal er een verband bestaat tussen de rijkdom van de algen en dat van de dieren.

Veel van het verzamelde planktonmateriaal ligt nog in de vriezer aan boord, en kunnen we pas na afloop van het Beagle project analyseren en interpreteren. Toch kunnen we al wat voorzichtige conclusies trekken. Af en toe kwamen we hele hoge dichtheden van vogels en/of zeezoogdieren tegen in een relatief klein gebied (enkele km2). Deze hotspots in zeevogels en zeezoogdieren kwamen zelden of niet overeen met de hoge dichtheden in algen, maar leken eerder gebonden aan specifieke hydrodynamische omstandigheden zoals sterke wervelingen rond de kapen.

Mogelijk was er op veel meer plaatsen voedsel in overvloed, maar was dit slechts op specifieke plekken te pakken te krijgen. De bereikbaarheid van prooien bepaalt voor een groot deel het dieet van de predatoren. Niet alleen in de ruimte, maar ook in de tijd. Een orka die geen jonge zeeleeuwen meer van het strand kan grijpen omdat ze inmiddels naar zee zijn gegaan, zal op zoek gaan naar vissen en pinguins. En soms ontdekken dieren een nieuwe voedselbron, zoals de kelpmeeuwen rond Pensínula Valdés die tegenwoordig graag een stukje rug van de zuidkaper oppeuzelen.

Een deel van de hoog produktieve gebieden bleek bovendien slecht eetbare algen te bevatten. Ver uit de kust van Patagonië troffen we hoge dichtheden van de Antarctische schuimalg aan. De kolonies van deze alg waren zo groot dat we ze met het blote oog konden zien. Niet eetbaar voor het dierlijk plankton, en dus verloren voor de rest van de voedselketen richting walvissen. Geen wonder dat het hier verder zo rustig was.

Ook sommige zeevogels en zeezoogdieren zijn beperkt in hun mogelijkheden om de beste plekken op het Patagonische Plat op te zoeken. Hoe verder de Magelhaenpinguins de zee opgaan om voedsel te zoeken, hoe langer het duurt voordat ze dit voedsel aan jongen op het nest kunnen afleveren. Daarentegen kunnen zuidkapers grote reserves opbouwen in de wateren rond Antarctica, en dan gebruiken om lange tijd hun jongen te zogen langs de kust van Patagonië zonder zelf te eten.

Kortom, de hoge produktie van het Patagonisch Plat in brede zin lijkt te bepalen wat de draagkracht is voor zeevogels en zeezoogdieren, maar lokale omstandigheden zoals stromingen en afstand tot de kolonie bepalen waar ze hun voedsel daadwerkelijk gaan halen. Zonder plankton geen walvissen, maar dat moet je dan wel op ruime schaal zien!

> Lees meer in Dossier: Walvissen

Meer posts van Katja Philippart

Reacties (4)

  • Auteur
    jaap molenaar
    Datum
    op 05-12-2009 18:20
    Reactie

    wat een helder verhaal; nou weet ik helemaal hoe het zit
    veel succes met jullie verdere onderzoek

    jaap

  • Auteur
    Bob Zuidema
    Datum
    op 06-12-2009 15:35
    Reactie

    Prachtig verhaal! Interessant wat jullie zoal uitzoeken.

  • Auteur
    Jan Donker
    Datum
    op 06-12-2009 19:23
    Reactie

    Je blijft lezen en kijken op de site, wat een geweldige tocht.
    groeten Jan

  • Auteur
    cees van egmond
    Datum
    op 14-12-2009 16:16
    Reactie

    Het lezen van jullie berichten doet me goed in de zin van kennis en inzicht vergaren. Aande andere kant stemt het me wat somber als ik jullie verhalen en bevindingen koppel aan The End Of The Line. Waar moet je beginnen als de Homo sapiens zo dominant is we letterlijk alle natuur onderwerpen en vernietigen.
    Ga door met jullie onderzoek en hou ons scherp! Het is laat, maar we hebben nog wat respijt

Reageer op dit bericht